Waarom systemen kantelen en regels tekortschieten

Nu ik stop met (betaald) werk en terugkijk op de afgelopen 45 jaar, komen twee boeken steeds terug als bepalend voor mijn wereldbeeld—als een onderstroom in mijn werk én daarbuiten: Gödel, Escher, Bach en Order out of Chaos. Het zijn boeken uit verschillende disciplines en met een heel andere toon, maar met een verrassend gedeelde kern: de werkelijkheid is gelaagd, zelfreferentieel en fundamenteel onvoorspelbaar. Structuren ontstaan, houden stand, vallen uiteen en vormen zich opnieuw—zonder centraal plan en zonder eindbestemming. Orde is daarbij zelden ‘rust’, eerder een tijdelijke vorm in beweging. En hoe harder we proberen het te pakken, hoe meer het ons ontglipt. Wie wil begrijpen hoe dat kan, komt al snel uit bij systemen die niet statisch, maar juist dynamisch zijn.

Orde uit Chaos (dissipatieve structuren)

Laat ik daarom beginnen bij Order out of Chaos en Ilya Prigogines werk over dissipatieve structuren: systemen ver van evenwicht die zich juist dankzij instabiliteit kunnen ordenen. Het was het onderwerp van mijn afstuderen (chemische thermodynamica), en het bleef me—ook buiten de natuurkunde—hardnekkig achtervolgen.

Het gaat om systemen die voortdurend energie en materie uitwisselen met hun omgeving. Die uitwisseling is geen verstoring, maar een bestaansvoorwaarde: zonder in- en uitstroom geen structuur. Denk aan een levende cel, een zwerm spreeuwen, het klimaat, oceaanstromen of complete ecosystemen. In zulke systemen ontstaat orde niet door chaos te beperken, maar juist door dynamiek en beweging.

Deze structuren organiseren zichzelf en zijn opmerkelijk robuust. Ze ontstaan en handhaven zichzelf via terugkoppelingen (feedback loops) die afwijkingen dempen en het systeem richting een dynamisch evenwicht duwen. Maar die robuustheid en structuur is nooit blijvend. Vroeg of laat verandert de omgeving—of het systeem zelf—zodanig dat de bestaande terugkoppelingen hun stabiliserende kracht verliezen. Dan volgt een bifurcatie (omslag): een korte fase van versterkte instabiliteit en chaos, waarna óf een nieuwe structuur ontstaat (nieuwe orde), óf het systeem bezwijkt (chaos).

Prigogines kernpunt is: zulke systemen kun je analyseren, beschrijven en tot op zekere hoogte begrijpen—maar je kunt niet voorspellen wanneer een omslag plaatsvindt, noch welke nieuwe orde eruit zal voortkomen. De overgang is niet-lineair en in deze fase is het systeem gevoelig voor minieme fluctuaties. Dat inzicht vormt een fundament onder wat later chaostheorie is gaan heten. De beroemde vlinder in Brazilië die met een vleugelslag een orkaan boven de Atlantische Oceaan “veroorzaakt”, is geen metafoor voor toeval, maar voor structurele gevoeligheid.

Hier raakt Prigogine ook aan iets diepers: onze ervaring van tijd. Een eenmaal gepasseerde omslag is onomkeerbaar. Het verleden laat zich niet terugzetten; er ontstaat letterlijk een andere werkelijkheid. Daarin ligt ook een mogelijke sleutel tot de vraag waarom tijd maar één kant op lijkt te kunnen. Wie dat wil verkennen, moet zich verdiepen in het begrip entropie—maar dat voert voor dit essay te ver.

Belangrijker is te zien dat wat hier in de natuurkunde zichtbaar wordt, verrassend herkenbaar is zodra je je blik verlegt naar menselijke systemen. 

Dezelfde inzichten, ander spel: economie en democratie

Prigogine was natuurwetenschapper, maar zijn inzichten zijn breder toepasbaar. Dat zag hij zelf ook. In zijn boek Order out of chaos legt hij al een verband tussen dynamisch gedrag van fysische en sociale systemen. Hij schreef het dan ook samen met Isabelle Strengers, een filosofe.

En precies die analogie merkte ik toen ik—tijdens mijn werk bij Akzo—een economiestudie deed. Economische systemen vertonen dezelfde dynamische patronen als de dissipatieve systemen uit de thermodynamica: stabiliteit zolang de dynamische structuur intact blijft, en onvermijdelijke, vaak chaotische omslagen zodra grenzen worden bereikt. 

Economische modellen functioneren daarom uitstekend—binnen hun eigen aannames. Ze verklaren het heden en het recente verleden. Wat ze zelden doen, is grote breuken aankondigen. Crises worden achteraf helder, rationeel en onvermijdelijk genoemd. Dat zegt vooral iets over onze behoefte aan verklaringen en minder over ons vermogen om te voorspellen.

Hoe hard je ook probeert de bestaande toestand vast te houden: er komt een punt waarop dat simpelweg niet meer lukt. De omslag is disruptief, chaotisch en niet te regisseren. Pas daarna—soms pas na jaren—ontstaat er een nieuw dynamisch evenwicht.

Datzelfde geldt voor maatschappij, politiek en bestuur. Samenlevingen en democratieën zijn geen mechanische uurwerken maar complexe systemen met feedback, spanningen en breekpunten. Dat besef viel voor mij op zijn plek toen Order out of Chaos onverwacht opdook tijdens een opleiding lobby en public affairs. Blijkbaar geldt ook hier: wie stabiliteit tot doel verheft, krijgt vroeg of laat instabiliteit cadeau.

Dat klinkt abstract—tot je om je heen kijkt en merkt hoe tastbaar die dynamiek inmiddels is geworden.

Omslag nadert: schaarste als driver van economische omslag

In de wereld stapelen de tekenen van een naderend omslagpunt zich op. De instabiliteit groeit—en met haar het aantal goeroes, duiders en verklaringen. Iedereen kan overtuigend uitleggen wat er gisteren gebeurde; vrijwel niemand kan voorspellen hoe morgen eruitziet. 

De verschillende ontwikkelingen apart zijn niet nieuw. Sinds WOII hebben we veel crisissen gehad, Van een bijna kernoorlog, bloedige dekolonisaties, proxy-oorlogen in de koude oorlog, een oliecrisis, economische crisissen, toenemende milieu en klimaatdruk tot een pandemie. Een lange lijst. En elke keer heeft de na-oorlogse economische orde zich herstelt. 

Wat maakt dat het lijkt dat we een kantelpunt naderen is dat dat de ontwikkelingen steeds sneller gaan, steeds heftiger worden, tegelijk optreden en op elkaar inwerken. De bestaande dynamische orde staat steeds meer onder druk. De terugkoppelingen verliezen aan kracht. 

Eén van de fundamentele oorzaken achter de onrust is schaarste. Energie, grondstoffen, en leefruimte. Dissipatieve systemen kunnen alleen bestaan zolang uitwisseling met de omgeving mogelijk blijft—en juist die uitwisseling staat onder druk. Wie rapporten van onder anderen Draghi en Wennink leest, ziet hoe structureel dit vraagstuk in de wereldeconomie is. En niet alleen in de economie, ook sociaal en ecologisch.

Onze reacties zijn voorspelbaar én dubbel. Enerzijds proberen we de status quo te behouden—met als gevolg een machtsstrijd om toegang tot steeds schaarsere middelen. Anderzijds proberen we nieuwe systemen te ontwerpen met de oude terugkoppelingen. Maar precies dát heeft Prigogine als onmogelijk blootgelegd: nieuwe orde laat zich niet ontwerpen; zij ontstaat.

En dan doemt vanzelf de volgende vraag op: als systemen zo reageren, wat kunnen we dan überhaupt ‘weten’ en ‘vastleggen’, zonder onszelf te overschatten?

Onvolledigheid: wat regels niet kunnen vangen

Die vraag brengt me bij het tweede boek dat mijn wereldbeeld diepgaand heeft gevormd: Gödel, Escher, Bach. Hofstädter laat zien hoe wiskunde, kunst en muziek elkaar raken in zelfreferentie, recursie en gelaagdheid. Wat wij als schoonheid ervaren, blijkt vaak verbonden met patronen die terugkeren, zichzelf citeren en zichzelf bevragen.

Kurt Gödel bewees iets wat je, eenmaal begrepen, niet meer kunt wegdenken: in elk voldoende krachtig én consistent formeel systeem bestaan ware uitspraken die binnen datzelfde systeem niet te bewijzen zijn. Volledigheid en interne consistentie sluiten elkaar uit. 

Vertaald naar beleid en regelgeving: wetten en regels vormen een formeel systeem met eigen aannames. Dat betekent onvermijdelijk dat er legitieme situaties zijn die niet eenduidig uit de regels volgen. Uitzonderingen blijven bestaan—en de uitkomst van een strikt formele toepassing is niet altijd (misschien zelfs vaak niet) wat de bedoeling was.

En wat gebeurt er als we die uitzonderingen in het systeem proberen te repareren? Dan groeit de complexiteit—en verschijnen er nieuwe uitzonderingen. Meer regels leveren zelden meer beheersbaarheid op; vaak gebeurt precies het omgekeerde.

Beleid dat streeft naar volledigheid loopt onvermijdelijk vast op zijn eigen complexiteit. De illusie dat één sluitend regelsysteem alle onzekerheid kan wegnemen, is precies dat: een illusie.

En precies daar raken Gödel en Prigogine elkaar: niet in hun vakgebied, maar in de consequenties van hun inzichten.

Complexiteit is geen fout—maar het systeem zelf

Gödel en Prigogine wijzen namelijk—ieder vanuit een eigen discipline—in dezelfde richting. De werkelijkheid is te complex om volledig te beschrijven, te dynamisch om betrouwbaar te voorspellen en te gelaagd om werkelijk te beheersen. Analyse kan. Volledige beheersing niet.

Dat vraagt om iets anders dan eindeloos verfijnen en dichtregelen. Het vraagt om ruimte: voor uitzonderingen, voor professioneel oordeel, voor discretionaire bevoegdheid. Populistisch gezegd: laat weer meer aan de professionals over. Alleen: als dat de logische uitkomst is, waarom doen we dan zo vaak het tegenovergestelde?

Niet sturen maar ruimte geven

Als ik naar het huidige beleid kijk, word ik daar dan ook niet optimistisch van. Ik zie veel symptoombestrijding en een toenemende schroom om pijnlijke keuzes te maken. We proberen oorzaken te managen met instrumenten die passen bij stabiliteit—niet bij transitie. 

Dat geldt voor economisch beleid, maar evenzeer voor sociaal beleid, klimaatbeleid, de energietransitie, stikstof en ruimtelijke ordening. Het zijn telkens pogingen om het systeem terug te duwen in een oude vorm. Dat vergt steeds meer energie, brengt steeds minder op en belemmert uiteindelijk juist de aanpassing aan de toekomst.

En dat is een groot risico. Want als het huidige beleid steeds minder in staat blijkt de problemen op te lossen is dat niet een gevolg van een fout systeem, maar het gevolg van onderliggende dynamiek die aan het veranderen is. Als je je dan vastklampt aan de oude orde met steeds dwingender en complexere regelgeving en handhaving, dan werkt het huidige model niet alleen steeds minder, er komt een moment dat de mensen afhaken, ze het geloof in het systeem verliezen. En dan is de keuze voor een radicaal ander systeem snel gemaakt. Zeker als dat simpele, one-site fits all, oplossingen beloofd. En of dat nou een utopisch ideaal is of een nihilistisch model van de sterkste wint, ook dat gaat beide uiteindelijk niet werken. De werkelijkheid laat zich niet ontwerpen.

Waar het vastloopt, begint het te bewegen

Ben ik daarmee somber? Nee. Eerder realistisch—met een lichte glimlach. Gödel en Prigogine bieden juist ook perspectief. Systemen lopen vast—altijd, vroeg of laat. En daarna ontstaat er iets nieuws. Niet omdat wij het zo briljant hebben ontworpen, maar omdat complexiteit nu eenmaal creatief is.

Of, zoals een andere grote denker het ooit zei: elk nadeel hep z’n voordeel.

Tot slot: Niet vastklampen, maar surfen

Misschien is het grootste misverstand wel dat we structuren verwarren met betekenis—alsof wat eenmaal is gevormd daarmee vanzelf de norm wordt. Maar vaste structuren zijn momentopnames in de tijd: gestolde beweging. In de dynamiek zitten de sporen van hun ontstaan én de kiemen van hun verdwijnen.

Prigogine laat zien dat dynamische orde nooit een eindtoestand is, maar een fase. Ze bestaat bij gratie van doorstroming, uitwisseling en voortdurende onrust. En Gödel leert ons dat geen enkel systeem ooit samenvalt met de werkelijkheid die het probeert te omvatten: er blijft altijd iets buiten beeld, iets dat zich niet laat formaliseren.

Wie de bestaande structuur tot norm verheft, doet alsof de tijd even kan pauzeren—alsof stabiliteit het eindpunt is, en niet een voorbijgaand evenwicht. Maar de wereld is geen voltooid bouwwerk; zij is een proces, een voortdurende wording waarin betekenis ontstaat door beweging, niet door stilstand.

Misschien vraagt dat iets ongemakkelijks van ons: accepteren dat onzekerheid geen tekort is, maar een conditie. Dat niet-weten geen falen is, maar ruimte. En dat richting soms beter te voelen is dan vast te leggen.

De toekomst ontvouwt zich niet volgens plan. Het verleden blijft aanwezig, maar is niet herhaalbaar. En daartussen beweegt het leven zich voort—onvolledig, tijdelijk, en juist daardoor interessant.

En wij? Wij moeten ons aanpassen. Niet door ons vast te klampen aan wat er is en ook niet door het maar te laten gebeuren. Maar door mee te bewegen. Want zo kunnen we richting geven aan onze toekomst. Niet tegen de golven in, maar juist door ze te accepteren, te analyseren en dan op de beste golven de juiste kant op te surfen. Met idealen als kompas. Voor mij zijn dat vrijheid en democratie. Met alles wat er bij hoort. Ook die lichte glimlach.